Intramed Expert

Zoek hier
Generic filters

Behandelepisode

In de behandelepisode leg je de gegevens voor de gehele klacht vast: de diagnose, de bijbehorende behandelseries, de verslaglegging.

Als je verslaglegging doet in Intramed, werk je daarbij met een verslagleggingsrichtlijn. Elke verslagleggingsrichtlijn is ontwikkeld voor een bepaalde beroepsgroep paramedici en daarmee qua in te vullen gegevens anders. De wijze waarop je naar de verschillende formulieren, testen en vragenlijsten navigeert is wel altijd hetzelfde. 

 

Heb je een Intramed PLUS abonnement, dan heb je de beschikking over aanvullende richtlijnen in de vorm van extra vragenlijsten, meetinstrumenten en behandelrichtlijnen. 

Fasen en formulieren

Als je een behandelepisode opent, en je hebt al een verslagleggingsrichtlijn gekozen, wordt de behandelepisode altijd geopend op tabblad “1. Verslaglegging”, op het eerste, nog niet volledig ingevulde formulier.

Aan de linkerkant zie je alle fasen en formulieren in een navigatie boomstructuur van de gekozen verslagleggingsrichtlijn.

De gele mappen, zoals “Aanmelding”, zijn de fasen. In de fasen vind je de formulieren, zoals “Aanmelding”. Aan het icoon voor het formulier kun je de verschillende soorten formulieren herkennen:

 Registratie:

Hierin vul je allerlei gegevens over de patiënt en de behandeling in.

 Sessiejournaal:

Hierin leg je verslag over een behandeling op een bepaalde datum.

 Vragenlijst:

Hiermee neem je een vragenlijst/test af bij een patiënt.

 Testverslag:

Hierin leg je testresultaten van bijvoorbeeld testen buiten Intramed vast.

 Registratie:

Hierin vul je allerlei gegevens over de patiënt en de behandeling in. Dit is een registratieformulier uit een aanvullende verslagleggingsrichtlijn.

Sessiejournaals in submap(pen)

Tijdens een lang behandeltraject (bijvoorbeeld bij een chronische klacht), worden veel behandelingen ingepland. Daardoor zijn ook veel sessiejournaals zichtbaar in de navigatieboom in de verslaglegging. Om de navigatieboom overzichtelijk te houden, worden sessiejournaals automatisch ondergebracht worden in een submap.

 

Aan de hand van de datum van de laatste behandeling wordt de indeling van de submappen bepaald.

Standaard worden de laatste 10 sessiejournaals weergegeven in de navigatieboom. De overige sessiejournaals worden onderverdeeld in submappen.

In zo’n submap zou ook weer een opeenstapeling van sessiejournaals kunnen ontstaan. Daarom is het maximum aantal formulieren per submap 10. Als er meer dan 10 formulieren in een submap staan, wordt een nieuwe onderliggende map aangemaakt, bijvoorbeeld “januari” of “januari – februari”.  

 

Met “Page Up” en “Page Down” kun je snel van formulier wisselen in de navigatieboom. Als je met een van die knoppen bij een submap van sessiejournaals komt, wordt de submap automatisch uitgeklapt. Vervolgens kun je ín de submap doorgaan met navigeren met de “Page Up” en “Page Down” knoppen.
Als vervolgens een formulier/map buiten de submap wordt geopend met de “Page Up” of “Page Down” knop, wordt de submap automatisch gesloten.

Gemarkeerde formulieren

Belangrijke opmerkingen en/of mijlpalen in de verslaglegging, kun je markeren door middel van het icoon . Als een formulier gemarkeerd is, wordt deze buiten de submappen getoond. Op die manier houd je een overzicht van gemarkeerde formulieren en verdwijnen deze niet in een submap. 

Speciale mappen

  • Bovenaan de boomstructuur staan twee speciale mappen:

Als vragenlijsten of testverslagen worden toegevoerd aan een behandelepisode, wordt die vragenlijst / testverslag ook aan één van deze mappen toegevoegd. Als je dubbelklikt op één van de twee mappen, wordt de map geopend, en zie je de vragenlijsten en/of testverslagen die in de map zijn toegevoegd. Als je op een vragenlijst of testverslag klikt, zie je aan de rechterkant van het scherm een grafische weergave van alle ingevoerde vragenlijsten/testverslagen van het type. Hoofdscores zijn hierbij standaard zichtbaar, subscores kunnen ingeschakeld worden.

 

Wat hoofd- en subscores zijn, wordt bepaald door de auteur van de richtlijn.

Identieke vragenlijsten / testverslagen worden gecombineerd in één grafiek getoond. Daarbij wordt op de x-as vermeld, bij welke datum waarden komen. Zo kun je het verloop zien.

  • Er is ook een overzicht van sessieformulieren beschikbaar:

Als je klikt op “Overzicht sessieformulieren” wordt het overzicht opgebouwd. Aan de rechterkant van het scherm wordt het overzicht getoond. Alle behandelingen staan onder elkaar, op chronologische volgorde. Daarbij wordt de laatste (meest recente) behandeling als eerste getoond.

Via de balk achter het veld “Sessiejournaals:” (bovenaan het overzicht) kun je naar een specifieke behandeling navigeren.

Via “Opties”, “Overzicht sessiejournaals” kun je het overzicht ook in een apart scherm openen.

Iconen en opties

Boven deze boomstructuur staan verschillende iconen voor opties:

Icoon

Omschrijving

De volgorde, waarin formulieren en vragenlijsten zijn ingevuld, wordt in de navigatie boomstructuur bijgehouden. Met de pijlknoppen kun je naar eerder ingevulde formulieren/vragenlijsten gaan en weer terug.
Je kunt ook naar het vorige en volgende formulier door respectievelijk de toetscombinaties Alt+Links en Alt+Rechts te gebruiken.

 Formulier toevoegen:

Hiermee kun je een registratie of een sessiejournaal formulier toevoegen.

Als een formulier van een bepaald type voor de tweede maal wordt gebruikt, wordt gevraagd of de waardes uit het eerdere formulier moeten worden overgenomen.

 Vragenlijst toevoegen:

Hiermee kun je een vragenlijst toevoegen.

 

Je moet eerst een formulier uit een richtlijn selecteren, waar de optie “Meetinstrumenten toevoegen toegestaan” op “Ja” staat. Dit is bepaald door de auteur van de richtlijn.

 Testverslag toevoegen:

Hiermee kun je een testverslag toevoegen.

 

Je moet eerst een formulier uit een richtlijn selecteren, waar de optie “Meetinstrumenten toevoegen toegestaan” op “Ja” staat. Dit is bepaald door de auteur van de richtlijn.

 

Bij het toevoegen van een formulier aan een behandelepisode wordt een selectiescherm geopend. Hierin kun je klikken op alle formulieren (van de basisrichtlijn en de gekoppelde aanvullende richtlijnen) die kunnen worden toegevoegd aan de behandelepisode. Alle al toegevoegde richtlijnen worden vetgedrukt vermeld. De basisrichtlijn wordt als eerste vermeld (illustratie komt uit een verslagleggingsrichtlijn Intramed PLUS).

Icoon

Omschrijving

 Formulier verwijderen:

Hiermee kun je een formulier verwijderen.

 

Soms kun je een formulier niet verwijderen, omdat bij het formulier vastgelegd is, dat het minimaal één keer moet voorkomen.

 Aanvullende richtlijn verwijderen:

Hiermee kun je een aanvullende richtlijn verwijderen.

 

Je moet eerst een formulier uit een aanvullende richtlijn selecteren, dan op dit icoon klikken. Alle formulieren uit die aanvullende richtlijnen worden in één keer verwijderd.

 Vragenlijst afnemen:

Er wordt een scherm geopend, waarin de vragenlijst fullscreen door de patient kan worden ingevuld.

 

De computer is zoveel mogelijk afgeschermd voor degene die de vragenlijst invult. Zo werken de toetscombinaties Alt+Tab, Alt+Esc, Ctrl+Esc en combinaties met de Windowstoets niet.

 

Bij het afsluiten van het scherm moet de toegangscode van de aangemelde gebruiker worden ingevuld. Zo wordt voorkomen, dat een patiënt je gegevens in Intramed kan inzien.

 Instellingen:

Als je hierop klikt, opent het scherm “Weergave-instellingen”.

Hierin kan de aangemelde gebruiker zijn voorkeursinstellingen opgeven voor de weergave van de formulieren.
De volgende velden kunnen worden ingevuld:

Maximaal aantal antwoorden voor weergave als keuzerondjes:

Als de antwoordenlijst van een meerkeuzevraag niet meer dan dit aantal antwoorden bevat, dan wordt deze meerkeuzevraag weergegeven als keuzerondjes, anders als uitklapbare lijst met mogelijkheden.

Aantal items waarboven kolommen worden gesplitst:

Een selectievakjesvraag (of een meerkeuzevraag die weergegeven wordt als keuzerondjes) zal gesplitst worden in zoveel kolommen, dat iedere kolom niet meer dan dit aantal antwoorden bevat (de laatste kolom kan minder antwoorden bevatten).

Maximaal aantal kolommen:

Om te voorkomen dat selectievakjes met veel antwoorden door de vorige instelling in teveel kolommen worden gesplitst, kan hiermee het maximaal aantal kolommen worden opgegeven.

Minimaal aantal regels:

Hier kun je het minimum aantal regels in tekstvakken (die bedoeld zijn voor meer dan één regel) instellen. Je kunt van 1 tot 100 regels invullen.

Je vindt de meeste opties ook terug als je op “Opties” klikt. Je vindt daar ook de opties “Markeer als ingevuld” en “Markeer als niet ingevuld”.

 

Een formulier wordt automatisch gemarkeerd als “ingevuld” als het laatste verplichte veld wordt ingevuld. Deze markering (het blauwe vinkje) wordt weer verwijderd als je één verplicht veld weer leeg maakt.
Als een formulier geen verplichte velden heeft, zal dit dus nooit automatisch op ingevuld komen te staan. Daarom bestaat er ook de mogelijkheid om een formulier handmatig op ingevuld of niet ingevuld te zetten.

De grootte van de iconen kun je wijzigen. Klik daarvoor met de rechtermuisknop in de werkbalk; er wordt een menu geopend. Kies hoe groot je de werkbalk wil tonen.

Invulinstructie

Als je in een veld klikt, wordt linksonder de invulinstructie getoond. 

Via  kun je de invulinstructie verbergen. Je kunt ook zelf invulinstructies toevoegen. Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.

  1. Je hebt het scherm “Behandelepisode” nog open staan of klik in de agenda op de persoon bij wie je de behandelepisode wil openen en op “Schermen”, “Behandeldossier”.
  2. Klik op de map “Behandelepisode”; aan de rechterkant zie je algemene gegevens van de behandelepisode.
  3. Als het een nieuwe behandelepisode is, klik op de knop “Verslagleggingsrichtlijn gebruiken” en kies de verslagleggingsrichtlijn die je wil gebruiken. 
  4. Kijk de gegevens op het formulier na en vul deze aan; voor zover van toepassing.
  5. Bewaar de gegevens (“F5” of  ).

Je kunt de behandelepisode ook openen via de patiëntgegevens: klik op menu [Bestand], [Patiënten], dubbelklik op een patiënt,  tabblad “4. Behandelepisodes” en dubbelklik op de behandelepisode.

Op tabblad “1. Verslaglegging” kun je algemene gegevens van de patiënt en over de behandelserie toevoegen. Ook kun je op dit tabblad de verslaglegging doen. 

  1. Je hebt het scherm “Behandelepisode” nog open staan of open het via menu [Bestand], [Patiënten], dubbelklik op de patiënt, tabblad “4. Behandelepisodes” en dubbelklik op de behandelepisode.
  2. Klik op de map “Behandelepisode”; het formulier “Behandelepisode” wordt geopend; rechts naast de navigatie boomstructuur.
     

    Als je geen verslagleggingsrichtlijn hebt ingesteld, zie je aan de linkerkant alleen drie mappen. Je kunt dus wel de algemene gegevens bij “Behandelepisode” invullen.

  3. Als het een nieuwe behandelepisode is, klik op “Verslagleggingsrichtlijn gebruiken”. Klik vervolgens in het selectiescherm “Selecteren Verslagleggingsrichtlijn” op de gewenste verslagleggingsrichtlijn en op “OK”. 
  4. Vul de velden in de rubriek “Algemeen”; voor zover van toepassing.

    Veld

    Omschrijving

    Behandelepisodenr.:

    Dit nummer is automatisch aangemaakt; je kunt dit niet wijzigen.

    Verslagleggingsrichtlijn:

    Hier is automatisch de bij het toevoegen van de behandelepisode gekozen richtlijn ingevuld; je kunt dit niet wijzigen.

    Heb je bij het toevoegen van een behandelepisode geen verslagleggingsrichtlijn aangegeven, kun je hier een verslagleggingsrichtlijn selecteren.

    Klik op “Gebruik standaard verslagleggingsrichtlijn” om de standaard richtlijn uit de medewerkergegevens te kiezen, of klik op “Andere richtlijn…” om zelf een verslagleggingsirchtlijn te kiezen. 

     Kies je een verslagleggingsrichtlijn met de status “Wordt bewerkt”, dan krijg je de volgende melding:

    Dit betekent dat omdat je de verslagleggingsrichtlijn nu gebruikt, deze niet meer door de verslagleggingsrichtlijn-ontwikkelaar gewijzigd kan worden. Pleeg altijd eerst over leg hierover met de verslagleggingsrichtlijn-ontwikkelaar.

    Auteur richtlijn:

    Hier is automatisch de auteur van de verslagleggingsrichtlijn ingevuld; je kunt dit niet wijzigen.

    Behandelaar:

    Automatisch is de medewerker ingevuld die de behandelepisode heeft aangemaakt; je kunt dit wijzigen. Klik op  en dubbelklik op de medewerker wiens behandelingen je wil afdrukken. 

    Codelijst:

    Automatisch is de codelijst overgenomen die is gekozen bij het aanmaken van de behandelepisode; je kunt dit wijzigen. Klik op  en dubbelklik op de codelijst. 

     In de medewerkergegevens kan op tabblad “8. Codelijstinstellingen” bij codelijsten zijn aangegeven, dat die alleen toegestaan zijn bij deze medewerker(zie ook onderaan deze uitleg).

  5. Vul de velden in de rubriek “Patiënt”; voor zover van toepassing.

    Veld

    Omschrijving

    Patiënt:

    Hier is automatisch het patiëntnummer en de naam van de patiënt ingevuld; je kunt dit niet wijzigen.

    Lengte (cm):

    Typ de lengte van de patiënt in (deze wordt door Intramed gebruikt om de Quetelet-index te berekenen).

    Geslacht patient:

    Automatisch is het geslacht van de patiënt ingevuld; je kunt dit niet wijzigen.

    Leeftijd patient:

    Automatisch is de leeftijd van de patiënt ingevuld; je kunt dit niet wijzigen.

    Gewicht (kg):

    Typ het gewicht van de patiënt in (deze wordt door Intramed gebruikt om de Quetelet-index te berekenen).

    Quetelet-index:

    Automatisch wordt de Quetelet-index ingevuld aan de hand van de waarden die zijn ingevuld in de velden “Lengte (cm):” en “Gewicht (kg):”; je kunt dit niet wijzigen.

    Streefgewicht (kg):

    Typ het streefgewicht voor de patiënt in.

  6. Vul de velden in de rubriek “Klacht”; voor zover van toepassing.

    Veld

    Omschrijving

    Datum aanmelding:

    Typ de aanmelddatum in of gebruik de kalender via 

    Omschrijving klacht:

    Typ een klachtomschrijving in (dit wordt ook de “Omschrijving klacht” in de lijst behandelepisodes).

    Duur klacht:

    Klik op  en kies hoe lang de patiënt deze klacht al heeft

    Recidief:

    Klik op  en kies of het om een terugkerende klacht gaat.

    Ontvangst verwijsbrief:

    Dit veld is alleen beschikbaar als je in de codelijst op tabblad “2. Instellingen” hebt aangegeven dat je de ontvangst van de verwijsbrief wil vastleggen.

    Klik op  en kies de status van de verwijsbrief.

    Als “Niet gevraagd” of “Gevraagd” is ingevuld, wordt je daar aan herinnerd via een melding in de agenda:

  7. Vul de velden in de rubriek “Diagnose”; voor zover van toepassing.

    Veld

    Omschrijving

    Verwijsdiagnose:

    Standaard de verwijsdiagnosecodelijst overgenomen uit de wizard “Plannen van een afspraak”. Werk je niet met deze wizard, dan kies je hier de verwijsdiagnosecodelijst. Achter dit veld kun je de verwijsdiagnosecode invullen:

    • Verwijsdiagnosecodelijst: klik op  en kies welke diagnosecodelijst gebruikt moet worden voor de verwijsdiagnosecode.   
    • Verwijsdiagnosecode: klik op  en dubbelklik op de diagnosecode.

    Paramedische diagnose:

    Standaard wordt de paramedische diagnosecodelijst en daarachter de diagnosecode overgenomen uit de behandelserie. Is er nog geen behandelserie, dan wordt ingevuld wat bij de gekozen codelijst vastgelegd is. Je kunt dit aanvullen / wijzigen:

    • Paramedische diagnosecodelijst: klik op  en kies welke diagnosecodelijst gebruikt moet worden voor de paramedische diagnosecode.   
    • Paramedische diagnosecode: klik op  en dubbelklik op de diagnosecode.

    Primaire diagnose:

    Het veld “Paramedische diagnose” is in behandelepisodes voor Generalistische Basis GGZ, Gespecialiseerde GGZ of Medisch Specialistische Zorg vervangen door “Primaire diagnose”. Deze primaire diagnose wordt overgenomen in een behandelserie op tabblad “3. Diagnose”; zo nodig inclusief de aanduiding “Trekken van”.

     GGZ: je kunt de primaire diagnose alleen in het formulier “Behandelepisode” kiezen of wijzigen. Dat mag een diagnose op as 1 of as 2 zijn.

    Datum diagnose:

    Typ de diagnosedatum in of gebruik de kalender via . De inhoud van dit veld wordt ingevuld op tabblad “3. Diagnose” van de behandelserie.

  8. Vul de velden in de rubriek “Status”; voor zover van toepassing.

    Veld

    Omschrijving

    Datum verslag aan verwijzer:

    Typ de datum in waarop de je de verwijzer een verslag wil sturen, of gebruik de kalender via .  

  9. Als je verslaglegging doet in Intramed, kun je nu de formulieren invullen. De inhoud van elke verslagleggingsrichtlijn is anders (qua formulieren en invulvelden), en wordt daarom niet besproken. Wel zijn er een aantal algemene “regels” en knoppen. Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.
  10. Bewaar de gegevens (“F5” of  ).

Voordat je behandelingen kunt inplannen in Intramed, moet je een behandelserie voor de patiënt aanmaken. Hierin wordt de reden van de komst van de patiënt vastgelegd, en gegevens die betrekking hebben op de administratieve verwerking van de behandelingen (zoals wie er betaalt).

Als je ook de verslaglegging doet in Intramed, moet je de behandelserie toevoegen bij de behandelepisode. Als je een nieuwe patiënt met klacht hebt toegevoegd via de wizard, of als je via de wizard bij een bestaande patiënt een nieuwe klacht hebt toegevoegd, is er automatisch een behandelserie aangemaakt, gekoppeld aan een nieuwe behandelepisode.

 

Als je een behandelserie toevoegt op tabblad “2. Behandelseries” van de behandelepisode, is de behandelserie direct gekoppeld aan de behandelepisode. De behandelserie is ook zichtbaar op tabblad “4. Behandelepisodes” van de patiëntgegevens.

 

Als je een behandelserie hebt aangemaakt op tabblad “4. Behandelepisodes” van de patiëntgegevens, kun je de behandelserie op tabblad “2. Behandelseries” koppelen. Er is dan ook een extra tabblad beschikbaar in de behandeling (tabblad “2. Verslaglegging”), waardoor je direct het sessiejournaal kunt vullen vanuit de agenda (behandeling). Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.

In de bovenste lijst zie je alle behandelseries die aan de patiënt gekoppeld zijn.

 

Je kunt onder andere de kolommen “Naam behandelaar” en “Naam verwijzer” toevoegen, zodat de behandelserie makkelijker te herkennen is. Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.

Als je in de bovenste lijst op een behandelserie klikt, zie je in de lijst rechtsonder welke behandelingen bij deze behandelserie horen.

Deze behandelingen zie je ook op de kalender linksonder in het scherm.

 

Op dit tabblad kun je behandelseries en behandelingen toevoegen. Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.

Sluit het scherm (“ESC” of ).

Extra informatie

Als je een behandeling via de wizard invoert (via de agenda, of via menu [Bestand], [Afspraak inplannen]) én je vinkt de optie “Het betreft een nieuwe klacht” aan, wordt er automatisch een nieuwe behandelserie én een nieuwe behandelepisode toegevoegd. De behandelserie wordt dan ook automatisch gekoppeld aan de behandelepisode.

Je moet de gegevens in de behandelserie nog wel aanvullen.

In Intramed kun je oefenprogramma’s toevoegen. 
  Een andere mogelijkheid is om oefeningen en oefenprogramma’s via Huiswerkoefeningen.nl naar de patiënt te sturen. Dit is een gebruiksvriendelijk platform en herinnert patiënten eraan hun oefeningen uit te voeren. Klik hier voor meer informatie.  
  1. Klik op menu [Bestand], [Patiënten] en dubbelklik op een patiënt.
  2. Klik op tabblad “4. Behandelepisodes” en dubbelklik op een behandelepisode.
  3. Klik op tabblad “3. Oefenprogramma’s”.
  4. Maak een oefenprogramma aan via .
  5. Sluit het scherm (“ESC” of ).

Je kunt ook een oefenprogramma maken buiten een behandelepisode: direct op tabblad “5. Oefenprogramma’s” van de patiëntgegevens.

  In behandelepisodes van Jeugd GGZ, Gespecialiseerde GGZ en Generalistische Basis GGZ zie je tabblad “3. Oefenprogramma’s” niet.

Je kunt zelf een oefenprogramma samenstellen. Hiermee kun je bijvoorbeeld oefeningen voor de patiënt afdrukken en deze oefeningen aan de patiënt meegeven. Het oefenprogramma wordt bewaard, zodat je later kunt zien welke behandeling en welke oefeningen de patiënt in een behandelfase heeft gehad.

  Je kunt ook een oefenprogramma maken buiten een behandelepisode: direct op tabblad “5. Oefenprogramma’s” van de patiëntgegevens. Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.
  Je hebt alleen de beschikking over oefeningen die betrekking hebben op de knie. Als je een abonnement hebt voor Fysioplan oefeningen, heb je ook de beschikking over oefeningen voor de rug, schouder, enkel, heup, elleboog/pols, nek, bovenste extremiteit, totale lichaam en de onderste extremiteit.

  1. Klik op menu [Bestand], [Patiënten] en dubbelklik op de patiënt bij wie je een oefenprogramma wil toevoegen.
  2. Klik op tabblad “4. Behandelepisodes” en dubbelklik op de behandelepisode waarbij je een oefenprogramma wil toevoegen.
  3. Klik op tabblad “3. Oefenprogramma’s”.
  4. Klik op .
  5. Vul de velden in; voor zover van toepassing.
  6. Klik op tabblad “2. Oefeningen” om een oefenprogramma samen te stellen.
  7. Bewaar de gegevens (“F5” of ).
  8. Sluit het scherm (“ESC” of ).

Je kunt ook een oefenprogramma samenstellen via tabblad “5. Oefenprogramma’s” van de patiëntgegevens. Ga verder met stap 4.

Je kunt ook een oefenprogramma toevoegen aan een verslagleggingsrichtlijn. Klik dan op menu [Systeem], [Verslagleggingsrichtlijnen], dubbelklik op de verslagleggingsrichtlijn en klik op tabblad “5. Oefenprogramma’s”.

Je kunt voor je patiënten oefenprogramma’s opstellen. Het gaat hoofdzakelijk om oefenprogramma’s voor fysiotherapie. Je kunt oefenprogramma’s toevoegen in behandelepisodes (zo hou je oefenprogramma’s voor een klacht bij elkaar).

 

Je kunt ook een oefenprogramma samenstellen via tabblad “5. Oefenprogramma’s” van de patiëntgegevens. Ga verder met stap 4.

 

Je kunt ook een oefenprogramma toevoegen aan een verslagleggingsrichtlijn. Klik dan op menu [Systeem], [Verslagleggingsrichtlijnen], dubbelklik op de verslagleggingsrichtlijn en klik op tabblad “5. Oefenprogramma’s”.

  1. Klik op menu [Bestand], [Patiënten] en dubbelklik op de patiënt bij wie je een oefenprogramma wil toevoegen.
  2. Klik op tabblad “4. Behandelepisodes” en dubbelklik op de behandelepisode waarbij je een oefenprogramma wil toevoegen.
  3. Klik op tabblad “3. Oefenprogramma’s”.
  4. Klik op .

    De velden “Omschrijving klacht:” en “Werkdiagnose:” worden overgenomen uit de behandelepisode.
  5. Vul de velden in; voor zover van toepassing.

    Veld

    Omschrijving

    Locatie:

    Kies via  voor welke lichaamslocatie je een oefenprogramma wil maken.

    Omschrijving:

    Typ een omschrijving van het oefenprogramma.

    Medewerker:

    Standaard wordt de aangemelde medewerker ingevuld. Je kunt dit wijzigen: Klik op  en dubbelklik op de behandelaar.

    Datum:

    Standaard wordt de huidige datum ingevuld. Je kunt dit wijzigen: typ de datum in of gebruik de kalender via 

    Patiënt:

    Automatisch wordt de patiënt ingevuld van wie je de patiëntgegevens geopend hebt. Je kunt dit niet wijzigen.

  6. Klik op tabblad “2. Oefeningen” om een oefenprogramma samen te stellen.
  7. Bewaar de gegevens (“F5” of ).
  8. Sluit het scherm (“ESC” of ).
  1. Klik op menu [Bestand], [Patiënten] en dubbelklik op de patiënt bij wie je een oefenprogramma wil toevoegen.
  2. Klik op tabblad “4. Behandelepisodes” en dubbelklik op de behandelepisode waarbij je een oefenprogramma wil toevoegen.
  3. Klik op tabblad “3. Oefenprogramma’s” en dubbelklik op het oefenprogramma.
  4. Kies in de rubriek “Toon programma’s” of je alle programma’s wil zien, of alleen van de lichaamslocatie.
  5. Klik bij “Standaardprogramma’s:” op de lichaamslocatie waarbij je een oefenprogramma wil samenstellen.
  6. Klik in de kolom “Beschikbare oefeningen:” op de oefening die je wil gebruiken in het oefenprogramma.
  7. Klik op ; de oefening wordt toegevoegd in de kolom “Geselecteerde oefeningen:”.
  8. Herhaal stappen 6 en 7 als je meer oefeningen wil toevoegen.
  9. Klik zo nodig op oefeningen bij “Geselecteerde oefeningen”, en specificeer de oefeningen aan de rechterkant van het scherm.
  10. Wijzig zo nodig de volgorde van de oefeningen door op de oefening te klikken en vervolgens op  of  te klikken.
  11. Bewaar de gegevens (“F5” of ).
  12. Sluit het scherm (“ESC” of ).

Je kunt ook een oefenprogramma samenstellen via tabblad “5. Oefenprogramma’s” van de patiëntgegevens. Dubbelklik op het oefenprogramma en ga verder met stap 4.

Je kunt ook een oefenprogramma toevoegen aan een verslagleggingsrichtlijn. Klik dan op menu [Systeem], [Verslagleggingsrichtlijnen], dubbelklik op de verslagleggingsrichtlijn en klik op tabblad “5. Oefenprogramma’s”.
Dubbelklik vervolgens op het oefenprogramma onderin het scherm en ga verder met stap 7.

Als je op  klikt, verschuiven alle oefeningen uit “Beschikbare oefeningen:” naar “Geselecteerde oefeningen:”. Als je op  of  klikt, worden respectievelijk één of alle oefeningen verwijderd bij “Geselecteerde oefeningen:”.

Als je een oefenprogramma toegevoegd hebt, kun je het programma gaan samenstellen. 

 

Je kunt ook een oefenprogramma samenstellen via tabblad “5. Oefenprogramma’s” van de patiëntgegevens. Dubbelklik op het oefenprogramma en ga verder met stap 7.

 

Je kunt ook een oefenprogramma toevoegen aan een verslagleggingsrichtlijn. Klik dan op menu [Systeem], [Verslagleggingsrichtlijnen], dubbelklik op de verslagleggingsrichtlijn en klik op tabblad “5. Oefenprogramma’s”.
Dubbelklik vervolgens op het oefenprogramma onderin het scherm en ga verder met stap 4.

  1. Klik op menu [Bestand], [Patiënten] en dubbelklik op de patiënt bij wie je een oefenprogramma wil toevoegen.
  2. Klik op tabblad “4. Behandelepisodes” en dubbelklik op de behandelepisode waarbij je een oefenprogramma wil toevoegen.
  3. Klik op tabblad “3. Oefenprogramma’s” en dubbelklik op het oefenprogramma.
  4. Kies in de rubriek “Toon programma’s” of je alle programma’s wil zien, of alleen van een lichaamslocatie.

     

    Automatisch is “Lokatie” geselecteerd. Bij het veld “Standaardprogramma’s” worden de programma’s getoond, speciaal voor de locatie die je op tabblad “1. Programma” ingevuld hebt.

     

    Als je een oefenprogramma toevoegt buiten de behandelepisode om, kun je in de rubriek “Toon programma’s” alleen kiezen voor “Alle” of “Lokatie”; geen oefenprogramma’s uit de verslagleggingsrichtlijn. Anders krijg je de volgende foutmelding:

  5. Klik bij “Standaardprogramma’s:” op de lichaamslokatie waarbij je een oefenprogramma wil samenstellen:
  6. Bij het veld “Beschikbare oefeningen:” zie je de oefeningen die horen bij de lichaamslokatie.
  7. Klik in de kolom “Beschikbare oefeningen:” op de oefening die je wil gebruiken in het oefenprogramma.
  8. Klik op ; de oefening wordt toegevoegd in de kolom “Geselecteerde oefeningen:”.
  9. Herhaal stap 7 en 8 als je meer oefeningen wil toevoegen.
     

    Als je op  klikt, verschuiven alle oefeningen uit “Beschikbare oefeningen:” naar “Geselecteerde oefeningen:”. Als je op  of  klikt, worden respectievelijk één of alle oefeningen verwijderd bij “Geselecteerde oefeningen:”.
    Op de afdruk van de oefeningen zie je dat elke oefening een eigen nummer heeft. Door middel van  kun je het nummer van de oefening verschuiven naar “Geselecteerde oefeningen:”. Je kunt meerdere nummers tegelijk invullen door gebruik te maken van het filterteken |. Bijvoorbeeld “1001|1002|1003”.

  10. Klik op een oefening bij “Geselecteerde oefeningen”; aan de rechterkant kun je de oefening verder specificeren.
  11. Als je bij het veld “Instellingen per sessie:” kiest voor “Nee”, kun je de volgende velden invullen.

    Veld

    Omschrijving

    Duur van de oefening:

    Typ in hoeveel seconden de oefening uitgevoerd moet worden.

     Als je dit veld ingevuld hebt, zijn de velden “Sets:” en “Herhalingen:” niet meer beschikbaar.

    Sets:

    Typ in hoeveel sets de patiënt moet uitvoeren.

    Herhalingen:

    Typ het aantal in hoe vaak de set moet worden herhaald.

    Rust:

    Typ in hoeveel seconden rust tussen de ene en de andere set mag worden gehouden.

    Opmerking:

    In dit veld kun je een aanvullende opmerking voor de patiënt intypen. (Maximaal 50 tekens).

    Als je de velden “Duur”, “Rust” en “Opmerking” ingevuld hebt, kan een oefening er als volgt uitzien:

    Als je de velden “Sets”, “Herhalingen”, “Rust” en “Opmerking” ingevuld hebt, kan een oefening er als volgt uitzien:

  12. Als je bij het veld “Instellingen per sessie:” kiest voor “Ja”, kun je de volgende tabel invullen.

    Veld

    Omschrijving

    Sessie:

    Typ in in welke sessie de oefening uitgevoerd moet worden.

    Duur:  

    Typ in, hoeveel seconden de oefening uitgevoerd moet worden.

     Als je dit veld ingevuld hebt, kun je alleen nog in de kolom “Rust” iets invullen.

    Sets:

    Typ in hoeveel sets de patiënt moet uitvoeren.

    Herh:

    Typ het aantal in hoe vaak de set moet worden herhaald.

    Rust:

    Typ in hoeveel seconden rust tussen de ene en de andere set mag worden gehouden.

    kg:

    Typ het aantal kilo in dat moet worden gebruikt.

     Dit veld is alleen beschikbaar als je een oefening met gewichten geselecteerd hebt.

    Opmerkingen:

    In dit veld kun je een aanvullende opmerking voor de patiënt intypen. (Maximaal 50 tekens).

  13. Bewaar de gegevens (“F5” of  ).
     

    Klik op  als je meer regels wil toevoegen.

    Als je alle velden hebt ingevuld, kan het scherm er als volgt uitzien:

  14. Klik zo nodig op de overige oefeningen bij “Geselecteerde oefeningen”, en specificeer de oefeningen aan de rechterkant van het scherm.
  15. Wijzig zo nodig de volgorde van de oefeningen door op de oefening te klikken en vervolgens op  of  te klikken.
  16. Bewaar de gegevens (“F5” of  ).
  17. Sluit het scherm (“ESC” of  ).

Extra informatie

Standaardprogramma

Het oefenprogramma dat je samengesteld hebt, kun je bewaren als standaardprogramma. Deze standaardprogramma’s kun je dan ook bij andere patiënten toevoegen. Het bespaart tijd als je niet steeds hetzelfde oefenprogramma hoeft samen te stellen.

  1. Maak een oefenprogramma.
  2. Klik op “Maak standaardprogramma”;

    het scherm “Aanmaken standaardprogramma” wordt geopend.
  3. Typ een naam voor het standaardprogramma in.
  4. Klik op “OK”; het standaardprogramma wordt toegevoegd aan de lijst “Standaardprogramma’s:”, bij het programma “Lokatie” en “Alle”.
  5. Je kunt het standaardprogramma nu bij alle patiënten gebruiken.
  6. Sluit het scherm (“ESC” of  ).

Verslagleggingsrichtlijnprogramma

Het oefenprogramma dat je samengesteld hebt, kun je ook bewaren als verslagleggingsrichtlijnprogramma. Je kunt het oefenprogramma dan ook bij een andere patiënt toevoegen, maar alleen als dezelfde verslagleggingsrichtlijn is gekozen.

  1. Maak een oefenprogramma.
  2. Klik op “Maak verslagleggingsrichtlijnprogramma”;

    het scherm “Aanmaken Protocolprogramma” wordt geopend.
  3. Typ een naam voor het verslagleggingsrichtlijnprogramma in.
  4. Klik op “OK”; het programma wordt toegevoegd aan de lijst “Standaardprogramma’s:” bij het programma “Richtlijn Alle”, “Richtlijn lokatie” en “Richtlijn Selectie”.
  5. Je kunt het standaardprogramma nu bij alle patiënten gebruiken waarbij dezelfde verslagleggingsrichtlijn is geselecteerd.
  6. Sluit het scherm (“ESC” of ).
  1. Klik op menu [Bestand], [Patiënten] en dubbelklik op een patiënt.
  2. Klik op tabblad “4. Behandelepisodes” en dubbelklik op de behandelepisode.
  3. Klik op tabblad “4. Onderbrekingen”.
  4. Voeg een nieuwe regel toe via .
  5. Vul de velden in.
  6. Bewaar de gegevens (“F5” of  ).
  7. Sluit alle schermen (“Esc” of   ).

In dit scherm kun je per behandelepisode vastleggen, voor welke periode en om welke reden je een behandeling hebt onderbroken.  

  1. Klik op een nieuwe regel.
  2. Vul de velden in.

    Kolom

    Omschrijving

    Begin:

    Typ de begindatum van de onderbreking in of gebruik de kalender via .

    Eind:

    Typ de einddatum van de onderbreking in of gebruik de kalender via . Als je de einddatum nog niet weet, vul je dit veld nog niet in.

    Reden onderbreking:

    Typ de reden van de onderbreking in.

  3. Bewaar de gegevens (“F5” of  ).  
  4. Sluit alle schermen (“Esc” of   ).

Extra informatie

Als je (een gedeelte) van de behandelepisode afdrukt via “Printen”, “Behandelepisode” op tabblad “1. Verslaglegging”, worden onderbrekingen op de laatste pagina afgedrukt.

    1. Klik op menu [Bestand], [Patiënten] en dubbelklik op een patiënt.
    2. Klik op tabblad “4. Behandelepisodes” en dubbelklik op een behandelepisode.
    3. Klik op tabblad “5. Gewicht”.
    4. Voeg een nieuwe regel toe via .
    5. Vul de velden in.
    6. Bewaar de regel (“F5” of ).
    7. Sluit het scherm (“ESC” of ).

De gewichtsontwikkeling kun je ook afdrukken via “Printen”.

Op tabblad “5. Gewicht” van een behandelepisode kun je per datum het gewicht van de patiënt invullen.

 Tabblad “5. Gewicht” is alleen beschikbaar als je in de systeemgegevens de module “Diëtetiek” hebt aangevinkt. Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.


Onderin het scherm zie je in de grafiek het eerste meetpunt staan.
In de eerste regel staan de gegevens ingevuld, zoals die in het formulier “Behandelepisode” (tabblad “1. Verslaglegging”) zijn ingevuld:

      1. Voeg een nieuwe regel toe via .
      2. Vul de velden in.

        Kolom

        Omschrijving

        Datum:Tup de datum in of gebruik de agenda via .
        Gewicht (kg):Typ het gewicht van de patiënt in kilogram in.
        Lengte (cm):Standaard is de lengte uit de vorige regel ingevuld; wijzig dit zo nodig.
        Tijd:Typ het tijdstip van de gewichtsmeting in.
        QI:De Quetelet-index wordt berekend; je kunt dit niet wijzigen.
        Cliënt:Standaard is patiëntnummer ingevuld; je kunt dit niet wijzigen.
        Gewichtsverschil:Het gewichtsverschil ten opzichte van het vorige meetmoment wordt berekend; je kunt dit niet wijzigen.
        Toe- of afname:Aan de hand van het vorige veld wordt ingevuld of er sprake is van een toe- of afname in gewicht ten opzichte van het vorige meetmoment; je kunt dit niet wijzigen.
        Verschil/week:De toe- of afname per week wordt berekend; je kunt dit niet wijzigen.
        Gewichtsaanduiding:Aan de hand van de Quetelet-index wordt hier automatisch de gewichtsaanduiding ingevuld; je kunt dit niet wijzigen.
      3. Bewaar de gegevens (“F5” of  ).
      4. Als je alle velden hebt ingevuld, kan het scherm er als volgt uitzien:

        Onderin het scherm zie je een grafiek met het verloop van het gewicht.
         De gewichtsontwikkeling kun je ook afdrukken via “Printen”. Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.
      5. Sluit het scherm (“ESC” of  ).

 

  1. Klik op menu [Bestand], [Patiënten] en dubbelklik op een patiënt.
  2. Klik op tabblad “4. Behandelepisodes”.
  3. Dubbelklik op een behandelepisode en klik op tabblad “6. Documenten”.

Op tabblad “6. Documenten” kun je documenten toevoegen, inzien/wijzigen en verwijderen. Je kunt bijvoorbeeld röntgenfoto’s van de patiënt op dit tabblad bewaren.

 

Documenten die je op dit tabblad toevoegt, zijn ook zichtbaar op bij de patiëntgegevens op tabblad “6. Documenten”.

 

Als je een document toevoegt, wordt de aanmaakdatum vastgelegd. Op het tabblad “Documenten” wordt voortaan standaard op deze aanmaakdatum gesorteerd. De regels worden automatisch gesorteerd op datum, waarbij het meest recente document onderaan staat.

Je ziet het “sorteer driehoekje”  rechtsboven in de kolomtitel. Dit geeft aan, dat er gesorteerd kan worden. Klik op de kolomtitel “Datum” om de gegevens andersom te sorteren; het meest recente document staat dan bovenaan. 
Na het sorteren zie je aan het driehoekje of er oplopend of aflopend () gesorteerd is (nog een keer sorteren gebeurt dan op de andere sorteer wijze).

Als je in een document een documenttype aangegeven hebt, zie je dat in de documentkoppelingen terug. Daarvoor zijn de kolommen “Documenttype” en “Omschrijving documenttype” ingevoegd. Waar zo’n document aan gekoppeld is, zoals een arts, medewerker enz. zie je ook het documenttype. Hierdoor is het mogelijk, om op diverse plaatsen in Intramed op het tabblad “Documenten” te zoeken naar /  filteren op / sorteren op documenttype.

  1. Klik op menu [Bestand], [Patiënten] en dubbelklik op een patiënt.
  2. Klik op tabblad “4. Behandelepisodes” en dubbelklik op een behandelepisode.
  3. Klik op tabblad “8. Diëten”.
  4. Via de 3 subtabbladen kun je het nutriënt- en voedingsadvies en de werkelijke consumptie registreren.
  5. Bewaar de gegevens (“F5” of  ).
  6. Sluit het scherm (“ESC” of  ).

Op tabblad “8. Diëten” kun je per datum het nutriënt- en voedingsadvies én de werkelijke consumptie registreren.

 

Tabblad “8. Diëten” is alleen beschikbaar als je in de systeemgegevens de module “Diëtetiek” hebt aangevinkt . Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.


Het tabblad is onderverdeeld in 3 aparte subtabbladen: “a. Nutriëntadvies”, “b. Voedingsadvies” en “c. Consumptie”.

Via die 3 tabbladen kun je het nutriënt- en voedingsadvies en de werkelijke consumptie registreren. Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.

Sluit het scherm (“ESC” of ).

Voedingsadvies toevoegen

  1. Je hebt het scherm “Behandelepisode…” al geopend op tabblad “8. Diëten”, OF open het scherm opnieuw via menu [Bestand], [Patiënten], dubbelklik op de patiënt, klik op tabblad “4. Behandelepisodes”, dubbelklik op de behandelepisode.
  2. Klik op tabblad “8. Diëten” en op tab “b. Voedingsadvies”.
  3. Klik in een lege regel in de lijst “Voedingsadviezen” en klik op .
  4. Vul de nieuwe regel in.
  5. Klik in een regel in de lijst “Voedingsadviesregels” en klik op “Ja”.
  6. Klik op ;en vul de regel in.
  7. Bewaar de gegevens (“F5” of ).
  8. Voeg zo nodig meer regels toe.
  9. Sluit alle schermen (“Esc” of  ).

Voedingsadvies wijzigen

  1. Klik bovenin het scherm op het voedingsadvies.
  2. Wijzig daaronder bij de adviesregels de gegevens.
  3. Bewaar de gegevens (“F5” of ).
 

De eerste keer dat je een voedingsadvies toevoegt, sta je automatisch in een lege regel en kun je direct gegevens intypen.

Je kunt standaard voedingsadviezen samenstellen, die je voor meerdere patiënten kunt gebruiken. Alle voedingsadviezen kun je samenstellen vanuit de NEVO tabel (of een zelf aangemaakte tabel).

Een voedingsadvies toevoegen

  1. Je hebt het scherm “Behandelepisode…” al geopend op tabblad “8. Diëten”, OF je opent het scherm opnieuw via menu [Bestand], [Patiënten], dubbelklik op de  patiënt, klik op tabblad “4. Behandelepisodes”, dubbelklik op de behandelepisode en klik op tabblad “8. Diëten”.
  2. Klik op tabblad “b. Voedingsadvies”.

    In de lijst “Voedingsadviezen” zie je een lijst met voedingsadviezen. In de kolommen zie je de aanmaakdatum, een nutriëntadvies omschrijving, een omschrijving, het eetmoment waarop het advies betrekking heeft, en het aantal kilocalorieën van het hele advies.
    In de lijst “Voedingsadviesregels” wordt de inhoud van het advies getoond. Die inhoud bestaat weer uit één of meer voedingsadviesregels.
  3. Klik in een lege regel in de lijst “Voedingsadviezen” en klik op .
  4. Vul de nieuwe regel:

  5. Kolom

    Omschrijving

    Datum:

    Typ de datum in vanaf wanneer het voedingsadvies geldt of gebruik de kalender via 

    Nutriëntadvies omschrijving:

    Hier wordt, als van toepassing, direct de naam van het bijbehorende nutriëntadvies vermeld.

    Omschrijving:

    Typ een omschrijving voor dit voedingsadvies in; dit is een verplicht veld.

    Eetmoment:

    Klik op  en dubbelklik op het eetmoment.

     

    Aan de lijst “Selecteren Eetmoment” kun je eetmomenten toevoegen. Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.

    Kcal:

    Hier wordt automatisch het totaal aantal kilocalorieën van alle voedingsmiddelen samen ingevuld; je kunt dit niet wijzigen.

  6. Klik in een regel in de lijst “Voedingsadviesregels”.
  7. Klik op “Ja”.
  8. Klik op  en vul de regel in:

    Kolom

    Omschrijving

    Voedingsmiddelgroep:

    Klik op  en dubbelklik op de voedingsmiddelgroep.

     

    Aan de lijst “Selecteren Voedingsmiddelgroep” kun je een voedingsmiddelgroep toevoegen. Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.

    Voedingsmiddel:

    Klik op  en dubbelklik op het voedingsmiddel.

     

    Je kunt onderin dit selectiescherm nog aanvinken, of je alleen de actieve voedingsmiddelen wilt zien.

     

    Aan de lijst “Selecteren Voedingsmiddel” kun je voedingsmiddelen toevoegen. Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.

    Aantal:

    Typ het aantal in.

    Eenheid:

    Klik op  en dubbelklik op de eenheid.

     

    Aan de lijst “Selecteren Voedingsmiddel eenheid” kun je eenheden toevoegen. Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.

    Totaal:

    Hier wordt automatisch het totale aantal ingevuld; je kunt dit niet wijzigen

    Kcal:

    Hier wordt automatisch het totaal aantal kilocalorieën van het voedingsmiddel ingevuld; je kunt dit niet wijzigen.

  9. Bewaar de gegevens (“F5” of ).
  10. Voeg zo nodig meer regels toe.
  11. Sluit alle schermen (“Esc” of  ).

Een voedingsadvies wijzigen

  1. Klik bovenin het scherm op het voedingsadvies.
  2. Wijzig daaronder bij de adviesregels de gegevens.
  3. Bewaar de gegevens (“F5” of ).

Opties

Onder de knop “Opties” vind je nog enkele belangrijke opties.

  • Met de optie “Selectie kopiëren naar”; optie “Nieuwe regel” (of via “Ctrl” + “D”) kopieer je een voedingsadvies in de lijst bovenin:
  1. Klik op een bestaand voedingsadvies.
  2. Klik op “Opties”, “Selectie kopiëren naar”, “Nieuwe regel”;
    Het geselecteerde voedingsadvies wordt gekopieerd. Daarbij wordt de aanmaakdatum op de huidige datum gezet. De omschrijving wordt aangevuld met de aanmaakdatum. De inhoud kun je nog aanpassen.
 

Je kunt geen advies kopiëren naar een datum waarop al een advies aanwezig is. Je krijgt dan een foutmelding.

  • Met de optie “Selectie kopiëren naar”; optie “Consumptie” kopieer je een voedingsadvies naar de consumptie registratie:
  1. Klik op een bestaand voedingsadvies.
  2. Klik op “Opties”, “Selectie kopiëren naar”, “Consumptie”;
    Het geselecteerde voedingsadvies wordt gekopieerd naar tabblad “c. Consumptie”. Dit tabblad wordt direct geopend. Daarbij wordt de aanmaakdatum op de huidige datum gezet. De omschrijving wordt aangevuld met de aanmaakdatum. Je kunt de inhoud nog aanpassen, bijvoorbeeld op de werkelijk geconsumeerde aantallen.
 

Je kunt een voedingsadvies maar één keer kopiëren naar de consumptie. Je krijgt anders een foutmelding.

  • Met de optie “Selectie kopiëren naar”; optie “Standaard advies” sla je een voedingsadvies ook op als standaard voedingsadvies:
  1. Klik op een bestaand voedingsadvies.
  2. Klik op “Opties”, “Selectie kopiëren naar”, “Standaard advies”.
    Het geselecteerde voedingsadvies wordt gekopieerd naar de tabel “Standaard adviezen”. Je ziet ter controle het scherm “Standaard dieetadvies <omschrijving voedingsadvies>”.
  • Met de optie “Nieuwe regel uit standaard advies…” kopieer je een standaard voedingsadvies naar de lijst bovenin:
  1. Klik op “Opties”, “Nieuwe regel uit standaard advies…”.
  2. Klik op het standaard voedingsadvies.
  3. Klik op “OK”;
    het geselecteerde advies wordt gekopieerd. Daarbij wordt de aanmaakdatum op de huidige datum gezet. De omschrijving wordt aangevuld met de aanmaakdatum. Je kunt de inhoud nog aanpassen.
 

Je kunt geen advies kopiëren naar een datum waarop al een advies aanwezig is. Je krijgt dan een foutmelding.

Schermen

Onder de knop “Schermen” vind je nog belangrijke optie “Voedingsadvies nutriëntwaarde…”. Met de optie “Voedingsadvies nutriëntwaarde” krijg je een overzicht van alle nutriëntwaarden van het door jou opgestelde voedingsadvies.

  1. Klik op een bestaand voedingsadvies.
  2. Klik op “Schermen”, ” Voedingsadvies nutriëntwaarde “;
    hier zie je een overzicht van alle nutriëntwaarden van het door jou opgestelde voedingsadvies.

Als er voor deze patiënt in deze behandelepisode ook een nutriëntadvies is opgesteld, worden de waarden van het voedingsadvies met dit nutriëntadvies vergeleken. Onder de relevante nutriëntwaarden uit het voedingsadvies wordt de minimum en maximum nutriëntwaarde aangegeven.

Als de nutriëntwaarde van het voedingsadvies lager dan het minimum of hoger dan het maximum ligt, dan wordt de nutriëntwaarde van het voedingsadvies vet gedrukt weergegeven.

Printen

Via de knop “Printen” kun je een overzicht van één of meer voedingsadviezen printen.

Een consumptie registratie toevoegen

  1. Je hebt het scherm “Behandelepisode…” al geopend op tabblad “8. Diëten” OF je opent het scherm opnieuw via menu [Bestand], [Patiënten], dubbelklik op een patiënt, klik op tabblad “4. Behandelepisodes”, dubbelklik op een behandelepisode en klik op tabblad “8. Diëten”; tab “c. Consumptie”.
  2. Klik in een regel in de lijst “Consumptie”.
  3. Klik op .
  4. Vul in de lijst “Consumptie” voor elke registratie een regel in.
  5. Klik in een regel in de lijst “Consumptieregels”.
  6. Klik op ; er wordt een nieuwe regel toegevoegd.
  7. Vul in de lijst “Consumptieregels” voor elk voedingsmiddel een regel in.
  8. Voeg zo nodig meer regels toe.
  9. Bewaar de gegevens (“F5” of ).
  10. Sluit alle schermen (“Esc” of  ).

 

Je kunt ook een regel uit het voedingsadvies kopiëren naar het tabblad “Consumptie”.

Een consumptie registratie wijzigen

  1. Klik bovenin het scherm op de consumptie.
  2. Wijzig daaronder bij de consumptieregels de gegevens.
  3. Bewaar de gegevens (“F5” of ).

De werkelijke consumptie leg je vast op tabblad “c. Consumptie” op tabblad “8. Diëten” van de behandelepisode. Je kunt daarbij de regels van het voedingsadvies kopiëren naar het tabblad “c. Consumptie”.

Een consumptie registratie toevoegen

  1. Je hebt het scherm “Behandelepisode…” al geopend op tabblad “8. Diëten” OF je opent het scherm opnieuw via menu [Bestand], [Patiënten], dubbelklik op een patiënt, klik op tabblad “4. Behandelepisodes”, dubbelklik op een behandelepisode en klik op tabblad “8. Diëten”.
  2. Klik op tabblad “c. Consumptie”. Op dit tabblad leg je de werkelijke consumptie van de patiënt vast.

    Je ziet onder “Consumptie” een lijst met consumptie registraties. In de kolommen zie je de aanmaakdatum, zo nodig een nutriëntadvies omschrijving, een omschrijving, het eetmoment waarop de consumptie registratie betrekking heeft en het aantal kilocalorieën van de hele consumptie registratie. Per consumptie registratie wordt onder “Consumptieregels” de inhoud van de consumptie registratie getoond. Die inhoud bestaat weer uit één of meer consumptieregels.

  3. Klik in een regel in de lijst “Consumptie”.
  4. Vul in de lijst “Consumptie” voor elke registratie een regel in.
     

    Je kunt ook een regel uit het voedingsadvies kopiëren naar het tabblad “Consumptie”. Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.

    Kolom

    Omschrijving

    Datum:

    Typ de datum in of gebruik de kalender via .

    Tijd:

    Typ het tijdstip in.

    Nutriëntadvies omschrijving:

    Hier wordt, als van toepassing, direct de naam van het bijbehorende nutriëntadvies vermeld.

    Omschrijving:

    Typ een omschrijving voor dit voedingsadvies in; dit is een verplicht veld.

    Eetmoment:

    Klik op  en dubbelklik op het eetmoment.  

     

    Aan de lijst “Selecteren Eetmoment” kun je eetmomenten toevoegen. Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.

    Kcal:

    Hier wordt automatisch het totaal aantal kilocalorieën van alle voedingsmiddelen samen ingevuld; je kunt dit niet wijzigen.

  5. Klik in een regel in de lijst “Consumptieregels”.
  6. Klik op “Ja”.
  7. Vul in de lijst “Consumptieregels” voor elk voedingsmiddel een regel in.

    Kolom

    Omschrijving

    Voedingsmiddelgroep:

    Klik op  en dubbelkik op de voedingsmiddelgroep.

     Aan de lijst “Selecteren Voedingsmiddelgroep” kun je een voedingsmiddelgroep toevoegen.Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.

    Voedingsmiddel:

    Klik op  en dubbelklik op het voedingsmiddel.

     Je kunt onderin dit selectiescherm nog aanvinken, of je alleen de actieve voedingsmiddelen wilt zien.

     Aan de lijst “Selecteren Voedingsmiddel” kun je voedingsmiddelen toevoegen.Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.

    Aantal:  

    Typ het geconsumeerde aantal in.

    Eenheid:

    Klik op  en dubbelklik op de eenheid.

    Aan de lijst “Selecteren Voedingsmiddel eenheid” kun je eenheden toevoegen.Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.

    Totaal:

    Hier wordt automatisch het totale aantal ingevuld; je kunt dit niet wijzigen

    Kcal:

    Hier wordt automatisch het totaal aantal kilocalorieën van het voedingsmiddel ingevuld; je kunt dit niet wijzigen.

  8. Bewaar de gegevens (“F5” of ). 
    Je kunt zien, welke regels al bewaard zijn: als je op een al bewaarde regel klikt, zie je links vooraan het teken . Bij nog niet bewaarde regels zie je daar het teken .
  9. Voeg zo nodig meer regels toe.
  10. Bewaar de gegevens (“F5” of ).
  11. Sluit alle schermen (“Esc” of  ).

Een consumptie registratie wijzigen

  1. Klik bovenin het scherm op de consumptie.
  2. Wijzig daaronder bij de consumptieregels de gegevens.
  3. Bewaar de gegevens (“F5” of ).

Opties

Onder “Opties” vind je nog enkele belangrijke opties.

  • Met de optie “Selectie kopiëren naar nieuwe regel” kopieer je een consumptie registratie in de lijst bovenin.
  1. Klik op een bestaande consumptie registratie. 
  2. Klik op “Opties”, “Selectie kopiëren naar nieuwe regel”. 
  3. De geselecteerde consumptie registratie wordt gekopieerd. Daarbij wordt de aanmaakdatum op de huidige datum gezet. De omschrijving wordt aangevuld met de aanmaakdatum. Je kunt de inhoud nog aanpassen.
  4. Het geselecteerde voedingsadvies wordt gekopieerd. Daarbij wordt de aanmaakdatum op de huidige datum gezet. De omschrijving wordt aangevuld met de aanmaakdatum. De inhoud kun je nog aanpassen, bijvoorbeeld op de geconsumeerde aantallen.
 

Je kunt een consumptie registratie maar één keer kopiëren naar de voedingsadviezen. Anders krijg je een foutmelding.

  • Met de optie “Selectie kopiëren naar voedingsadvies” kopieer je een consumptie registratie naar de voedingsadviezen.
  1. Klik op een bestaande consumptie registratie.
  2. Klik op “Opties”, “Selectie kopiëren naar voedingsadvies”.
    De geselecteerde consumptie registratie wordt gekopieerd naar tabblad “b. Voedingsadvies”. Dit tabblad wordt direct geopend. Daarbij wordt de aanmaakdatum op de huidige datum gezet. De omschrijving wordt aangevuld met de aanmaakdatum. Je kunt de inhoud nog aanpassen.
 

Je kunt een consumptie registratie maar één keer kopiëren naar de voedingsadviezen. Anders krijg je een foutmelding.

Schermen

Onder “Schermen” vind je nog belangrijke optie: “Consumptie nutriënten”. Met de optie “Consumptie nutriënten” krijg je een overzicht van alle nutriëntwaarden van de opgestelde consumptie registratie.

  1. Klik op een bestaande consumptie registratie.
  2. Klik op “Schermen”, ” Consumptie nutriënten”;
    het scherm “Maaltijd nutriëntwaarde” wordt geopend. Hier zie je een overzicht van alle nutriëntwaarden van de opgestelde consumptie registratie.

Als er voor deze patiënt in deze behandelepisode ook een nutriëntadvies is opgesteld, worden de waarden van de consuptie registratie met dit nutriëntadvies vergeleken. Onder de relevante nutriëntwaarden uit de consumptie registratie wordt de minimum en maximum nutriëntwaarde aangegeven.
Als de nutriëntwaarde van de consumptie registratie lager dan het minimum of hoger dan het maximum ligt, dan wordt de nutriëntwaarde van de consumptie registratie vet gedrukt weergegeven.

Printen

Via “Printen” kun je een overzicht van één of meer consumptie registraties printen. Hierbij kun je in het rapportscherm nog verschillende filters instellen.

Je kunt ook een dag overzicht printen. Hierbij kun je in het rapportscherm nog verschillende filters instellen. Bijvoorbeeld dat je bij elke maaltijd een nutriëntwaarde tabel wilt zien en dat er per week het totaal van de nutriëntwaarde getoond wordt.

 

  1. Klik op menu [Systeem], [Tabellen], [Diëtetiek], [Nutriëntcategoriën]. 
  2. Dubbelklik op een bestaand artikel om deze te wijzigen of klik op  om een nieuw artikel toe te voegen.
  3. Vul de velden in; voor zover van toepassing.
  4. Bewaar de gegevens (“F5” of ).

In deze tabel vind je de meest voorkomende nutriëntcategoriën. In dit scherm kun je deze lijst aanvullen en van bestaande categoriën de omschrijving aanpassen.

  1. Je ziet de al ingevoerde nutriëntcategoriën”. 
    nutriëntcategoriën 
  2. Dubbelklik op een bestaand artikel om deze te wijzigen of klik op  om een nieuw artikel toe te voegen.
     
  3. Vul de velden in; voor zover van toepassing.

    Veld

    Omschrijving

    Nummer:

    Dit nummer wordt automatisch aangemaakt als je de nutrientcategorie bewaart. Je kunt ook zelf een nummer invullen. 

    Naam:

    Typ de naam van de categorie in. 

  4. Bewaar de gegevens (“F5” of ).

  1. Klik op menu [Systeem], [Tabellen], [Diëtetiek], [Nutriëntcodes]. 
  2. Dubbelklik op een bestaand artikel om deze te wijzigen of klik op  om een nieuw artikel toe te voegen. 
  3. Vul de velden in; voor zover van toepassing.
  4. Bewaar de gegevens (“F5” of ).

In Intramed is een tabel met nutriëntcodes aanwezig. Een nutriëntcode is een vijfcijferige code voor de voedingswaarde, waarbij de eerste twee cijfers verwijzen naar de dieet voedingswaardegroepen. Deze indeling is ontleend aan de aangeleverde gegevens vanuit NEVO. In dit scherm kun je een nieuwe nutriëntcode aan de tabel toevoegen, of een bestaande nutriëntcodes wijzigen.

  1. Je ziet de al ingevoerde nutriëntcodes. 
    Nutriëntcodes 
  2. Dubbelklik op een bestaand artikel om deze te wijzigen of klik op  om een nieuw artikel toe te voegen.
     
  3. Vul de velden in; voor zover van toepassing.

    Veld

    Omschrijving

    Code:

    Typ de vijfcijferige code, zo nodig met voorloopnullen, van de voedingswaarde. De eerste twee cijfers verwijzen naar de voedingswaardegroep. 

    Naam:

    Typ de naam van de voedingswaarde in. 

    Eenheid:

    Typ de eenheid in waarin deze voedingswaarde wordt uitgedrukt.

    Naam (Engels):

    Typ de Engelse naam van de voedingswaarde in.

    Categorieomschrijving:

    Aan de hand van de eerste twee ingetypte cijfers bij het veld “Code:”, wordt automatisch de omschrijving van de voedingswaardegroep ingevuld.

  4. Bewaar de gegevens (“F5” of ).

  1. Klik op menu [Bestand], [Patiënten] en dubbelklik op een patiënt.
  2. Klik op tabblad “4. Behandelepisodes” en dubbelklik op een behandelepisode.
  3. Klik op tabblad “10. Betrokkenen”.
  4. Sluit het scherm (“ESC” of ).

Op tabblad “10. Betrokkenen” zie je, welke personen betrokken zijn bij de behandelepisode. 

 

Op tabblad “2. Behandelseries” van een behandelepisode vind je alle gekoppelde behandelseries. Als je een verwijzer hebt ingevuld in de behandelserie, wordt deze automatisch als betrokkene toegevoegd op tabblad “10. Betrokkenen” van de behandelepisode én op tabblad “10. Betrokkenen” van de patiëntgegevens.  

behandelepisode tabblad 10 betrokkenen

 

Via “Opties” kun je betrokkenen overnemen uit een vorige behandelepisode. Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.

 

Via “Printen” kun je een overzicht van de betrokkenen afdrukken. Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.

Je ziet de volgende kolommen.

Kolom

Omschrijving

Soort betrokkene

Dit is het type betrokkene.

Instelling/Adres

Als het een Instelling/Adres betreft, zie je hier de naam.

Betrokkene

Hier zie je het nummer van de betrokkene binnen Intramed.

Naam betrokkene

Hier zie je de naam van de betrokkene.

Soort relatie

Hier staat de omschrijving van het soort relatie tot de patiënt.

Van

Dit is de datum vanaf wanneer de persoon betrokken is.

Tm

Dit is de datum tot wanneer de persoon betrokken is.

Opnemen in correspondentie

Hier is aangegeven of er naar deze persoon gecorrespondeerd wordt.

Sluit het scherm (“ESC” of ).

  1. Klik op menu [Bestand], [Patiënten] en dubbelklik op een patiënt.
  2. Klik op tabblad “4. Behandelepisodes” en dubbelklik op een behandelepisode.
  3. Wijzig de gegevens. Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.
  4. Bewaar de gegevens (“F5” of  ).
  5. Sluit het scherm (“ESC” of  ).

Je kunt een behandelepisode wijzigen, bijvoorbeeld als je de verslaglegging wil invullen.

behandelepisode wijzigen

  1. Dubbelklik op een behandelepisode.
  2. Wijzig de gegevens. Voor meer informatie, ga naar de “Zie ook” lijst onderaan deze uitleg.
  3. Bewaar de gegevens (“F5” of  ).
  4. Sluit het scherm (“ESC” of  ).
  1. Klik op menu [Bestand], [Patiënten] en dubbelklik op een patiënt.
  2. Klik op tabblad “4. Behandelepisodes”.
  3. Klik op de behandelepisode die je wil verwijderen en klik op .
  4. Je krijgt een bevestigingsvraag; klik op “Ja”.
  5. Sluit het scherm (“ESC” of  ).

Je kunt een behandelepisode verwijderen, bijvoorbeeld omdat de patiënt toch niet door jou behandeld wordt.

 

Als de behandelepisode aan één of meerdere behandelserie(s) was / waren gekoppeld, word(t)(en) deze ook verwijderd!

  1. Klik op de behandelepisode die je wil verwijderen en klik op .
  2. Je krijgt een bevestigingsvraag; klik op “Ja”.
  3. Sluit het scherm (“ESC” of  .

 

Behandelepisodes die genoemd worden in Verrichte activiteiten bij GGZ patiënten kunnen niet verwijderd worden. Je krijgt een foutmelding: