Verslaglegging: expressies bij berekeningen
Bij het bron-type “Berekening” kun je werken met expressies; formules waarin je rekenkundige functies gebruikt.
Voorbeelden van functies die op een veldwaarde werken:
Sommige functies werken direct op een veldwaarde. Bijvoorbeeld worteltrekken of het kwadraat berekenen. In de formule moet je het veld aangeven, waar de waarde is ingevoerd.
In zo’n formule MOET je daarom een “@” voor het veldnummer zetten.
Bij alle functies kun je instellen, tot welke hoeveelheid decimalen de uitkomst berekend moet worden.
Functies
ABS
Voer deze functie in als: ABS(getal).
Bij een absoluut getal maakt het niet uit, of het om een plus of een min getal gaat. Het wordt altijd als een plus getal aangegeven. Dit is handig in berekeningen.
Voorbeeld: ABS(@2) oftewel de absolute waarde van wat in veld 2 is ingevuld. Als dat -2 is, wordt de absolute waarde 2.
Afronden
Voer deze functie in als: AFRONDEN(getal).
Deze functie gebruik je om bij een berekening de uitkomst af te ronden.
Voorbeeld: @2 = 10; @1 = 3. AFRONDEN(@2/@1) geeft 3. Oftewel deel de waarde van veld 2 door de waarde van veld 1 en rond de uitkomst af op een geheel getal.
Afronden naar boven
Voer deze functie in als: AFRONDEN_NAAR_BOVEN(getal).
Deze functie gebruik je om bij een berekening de uitkomst af te ronden, maar nu op een geheel getal naar boven.
Voorbeeld: @2 = 10; @1 = 3. AFRONDEN_NAAR_BOVEN(@2/@1) geeft 4. Oftewel deel de waarde van veld 2 door de waarde van veld 1 en rond de uitkomst naar boven af op een geheel getal.
Afronden naar beneden
Voer deze functie in als: AFRONDEN_NAAR_BENEDEN(getal).
Deze functie gebruik je om bij een berekening de uitkomst af te ronden, maar nu op een geheel getal naar beneden.
Voorbeeld: @2 = 10; @1 = 3. AFRONDEN_NAAR_BENEDEN(@2/@1) geeft 3. Oftewel deel de waarde van veld 2 door de waarde van veld 1 en rond de uitkomst naar beneden af op een geheel getal.
Als
Voer deze functie in als: ALS(voorwaarde;bij ja; bij nee).
Deze functie gebruik je bijvoorbeeld om een ingevoerd / berekend getal te vergelijken met een bepaald criterium. Het resultaat is 1 (= waar) of 0 (= niet waar).
Voorbeeld: ALS(@2<10;21;30) oftewel, als de waarde van veld 2 kleiner is dan 10, wordt de uitkomst van de vergelijking 21. Zo niet, dan wordt de uitkomst van de vergelijking 30.
En
Voer deze functie in als: EN(voorwaarde1;voorwaarde2;…).
Stel, je wilt meerdere ingevoerde / berekende getallen vergelijken met ieder een eigen criterium. Het resultaat is 1 (= waar) of 0 (= niet waar).
Voorbeeld: EN(@1<10;@2>10) oftewel, controleer of de waarde van veld 1 kleiner is dan 10. Controleer ook of de waarde van veld 2 groter is dan 10.
Is dat allebei waar, dan wordt de uitkomst van de vergelijking 1.
Is dat allebei niet waar, dan wordt de uitkomst van de vergelijking 0.
Niet
Voer deze functie in als: NIET(voorwaarde).
Stel, je wilt een ingevoerd / berekend getal vergelijken met een bepaald criterium. Het resultaat is 1 (= waar) of 0 (= niet waar).
Voorbeeld: NIET(@2<10) oftewel, als de waarde van veld 2 niet kleiner is dan 10 dan wordt de uitkomst van de vergelijking 1. Is dat wel zo, dan wordt de uitkomst van de vergelijking 0.
Of
Voer deze functie in als: OF(voorwaarde1;voorwaarde2;…).
Stel, je wilt één of meerdere ingevoerde / berekende getallen vergelijken met ieder een eigen criterium. Het resultaat is 1 (= waar) of 0 (= niet waar).
Voorbeeld: OF(@1<10;@2>10) oftewel, controleer of de waarde van veld 1 kleiner is dan 10. Controleer ook of de waarde van veld 2 groter is dan 10.
Is één van beide waar, dan wordt de uitkomst van de vergelijking 1.
Zijn beide niet waar, dan wordt de uitkomst van de vergelijking 0.
Kwadraat
Voer deze functie in als: KWADRAAT(getal).
Met deze functie bereken je van een ingevoerd / berekend getal het kwadraat.
Voorbeeld: KWADRAAT(@2) oftewel, de uitkomst is het kwadraat van de waarde van veld 2.
Wortel
Voer deze functie in als: WORTEL(getal).
Met deze functie bereken je de wortel uit een ingevoerd / berekend getal.
Voorbeeld: WORTEL(@2) oftewel, de uitkomst is de wortel uit de waarde van veld 2.
Zoek
Voer deze functie in als: ZOEK(getal;”vergelijker”;criterium1;resultaat1;criterium2;resultaat2;…;resultaat bij geen zoekresultaat).
Stel, je wilt een lengte in centimeters vertalen naar tekst.
Deze functie vergelijkt een zoekwaarde achtereenvolgens met andere waardes met als vergelijking één van de operatoren “<=”,”<“, “=”, “>”, “>=”. Als de vergelijking waar is (dus als de zoekwaarde wordt gevonden), wordt het resultaat geretourneerd. Als de zoekwaarde niet gevonden wordt, wordt het “resultaat bij geen zoekresultaat” geretourneerd.
Het is niet verplicht om een “resultaat bij geen zoekresultaat” in te typen.
Een voorbeeld formule is: ZOEK(@12;”<=”;0:”Lengte niet ingevuld”; 100:”Klein”; 150:”Middelgroot”; 200:”Groot”; “Reusachtig”).
Oftewel:
Als @12 kleiner of gelijk is aan 0, geef dan als resultaat “Lengte niet ingevuld”
Als @12 kleiner of gelijk is aan 100, geef dan als resultaat “Klein”
Als @12 kleiner of gelijk is aan 150, geef dan als resultaat “Middelgroot”
Als @12 kleiner of gelijk is aan 200, geef dan als resultaat “Groot”
Als @12 niet kleiner of gelijk is aan 200, geef dan als resultaat “Reusachtig”
De functie “ZOEK” kan beschouwd worden als een herhaling van de ALS-functie.
Voorbeelden van functies die met een filter werken:
Sommige functies werken als een filter over diverse veldwaarden. Bijvoorbeeld het gemiddelde of de hoogste waarde uit een reeks berekenen. In de formule geef je alle velden op, die bekeken moeten worden.
In zo’n “filter formule” moet je GEEN “@” voor het veldnummer zetten. Tussen de velden zet je een |. Je kunt ook meerdere velden aangeven met 1..6 (= veld 1, 2, 3, 4, 5 en 6).
Bij alle functies kun je instellen, in hoeveel decimalen de uitkomst berekend moet worden.
Aantal
Voer deze functie in als: AANTAL(veldnummer|veldnummer|…).
Deze functie gebruik je bijvoorbeeld om bij te houden, hoeveel van de 4 invoervelden in een formulier werkelijk gevuld zijn met een numerieke waarde.
Voorbeeld: AANTAL(1|2|3|4) geeft 1 als één veld met een cijfer of getal is ingevuld, 2 als twee velden met een cijfer of getal zijn ingevuld enzovoorts.
Let op: de velden moeten een numerieke waarde hebben en mogen geen database- of datumvelden zijn!
Aantal ingevuld
Voer deze functie in als: AANTAL_INGEVULD(veldnummer|veldnummer|…).
Deze functie gebruik je bijvoorbeeld om bij te houden, hoeveel van de 4 invoervelden in een formulier werkelijk gevuld zijn.
Voorbeeld: AANTAL_INGEVULD(1|2|3|4) geeft 1 als één veld is ingevuld, 2 als twee velden zijn ingevuld enzovoorts.
Gemiddelde
Voer deze functie in als: GEMIDDELDE(veldnummer|veldnummer|…).
Deze functie gebruik je als je het gemiddelde van ingevoerde getallen in bepaalde velden wilt berekenen.
Voorbeeld: GEMIDDELDE(1..4) oftewel tel de waarden van de velden 1, 2, 3 en 4 bij elkaar op en de uitkomst door het aantal bij elkaar opgetelde velden. Cijfervoorbeeld: 1+2+3+4=10;10/4=2,5
Let op: de velden moeten een numerieke waarde hebben en mogen geen database- of datumvelden zijn!
Max
Voer deze functie in als: MAX(veldnummer|veldnummer|…).
Deze functie gebruik je, om de hoogste waarde die is ingevoerd in bepaalde velden te berekenen.
Voorbeeld: MAX(1..4) oftewel, wat is de hoogste waarde in de velden 1, 2, 3 en 4.
Let op: de velden moeten een numerieke waarde hebben en mogen geen database- of datumvelden zijn!
Min
Voer deze functie in als: MIN(veldnummer|veldnummer|…).
Deze functie gebruik je om de laagste waarde die is ingevoerd in bepaalde velden te berekenen.
Voorbeeld: MIN(1..4) oftewel wat is de laagste waarde in de velden 1, 2, 3 en 4.
Let op: de velden moeten een numerieke waarde hebben en mogen geen database- of datumvelden zijn!
Som
Voer deze functie in als: SOM(veldnummer|veldnummer|…).
Deze functie gebruik je om waarden die in bepaalde velden zijn ingevoerd, bij elkaar op te tellen.
Voorbeeld: SOM(1..4) oftewel tel de waarden van de velden 1, 2, 3 en 4 bij elkaar op.
Let op: de velden moeten een numerieke waarde hebben en mogen geen database- of datumvelden zijn!
Voorbeelden van functies die met tekst werken:
Er zijn een aantal functies, die specifiek met het gebruiken en verwerken van ingevoerde tekst te maken hebben. Voer in een functie de tekst is als echte tekst tussen aanhalingstekens, maar je kunt ook een veld aangeven waar een tekst staat.
Beginletters
Voer deze functie in als: BEGINLETTERS(tekst).
Hiermee verander je de eerste letter van elk woord in de tekst naar een hoofdletter. Veelal gebruik je deze functie om de tekst in een veld te voorzien van een hoofdletter.
Voorbeeld: BEGINLETTERS(“invoeren:”) wordt: Invoeren:
Voorbeeld: @2 = “patiënt specifieke klachten”. BEGINLETTERS(@2) wordt: Patiënt Specifieke Klachten.
Deel
Voer deze functie in als: DEEL(tekst;begin;aantal).
Dit geeft een gedeelte van de tekst, vanaf de positie “begin” tot de lengte van het “aantal” tekens. Veelal gebruik je deze functie bij tekst in een veld.
Voorbeeld: DEEL(“invoeren”; 3; 4) geeft: voer.
Voorbeeld: @2 = “patiënt specifieke klachten”. DEEL(@2; 9; 4) wordt: Spec. Let op: spaties tellen mee!
Gelijk
Voer deze functie in als: GELIJK(tekst1;tekst2).
Hiermee vergelijk je twee teksten; het resultaat is 1 (= waar) of 0 (= niet waar). Veelal zul je deze functie gebruiken om de tekst in twee velden te vergelijken.
Voorbeeld: @2 = “apart”; veld @3= “apart”. GELIJK(@2;@3)= 1.
Herhaling
Voer deze functie in als: HERHALING(tekst; aantal).
Hiermee laat je de tekst herhalen in het opgegeven “aantal”. Veelal zul je deze functie gebruiken in een veld om dezelfde tekst terug te laten komen.
Voorbeeld: HERHALING(“hoger > “; 4) geeft: hoger > hoger > hoger > hoger >.
Voorbeeld: @2 = “opzij, “. HERHALING(@2; 3) geeft: opzij, opzij, opzij.
Hoofdletters
Voer deze functie in als: HOOFDLETTERS(tekst).
Hiermee verander je de hele tekst naar hoofdletters. Veelal zul je deze functie gebruiken om de tekst in een veld om te zetten naar hoofdletters om bijvoorbeeld het filteren of vergelijken te vergemakkelijken.
Voorbeeld: @2 wordt gevuld met: Lipitor. HOOFDLETTERS(@2) wordt: LIPITOR. Let op: spaties tellen mee!
Kleine letters
Voer deze functie in als: KLEINE_LETTERS(tekst).
Hiermee verander je de hele tekst naar kleine letters. Veelal zul je deze functie gebruiken om de tekst in een veld om te zetten naar kleine letters om bijvoorbeeld het filteren of vergelijken te vergemakkelijken.
Voorbeeld: @2 wordt gevuld met: “Lipitor”. KLEINE_LETTERS(@2) wordt: lipitor.
Lengte
Voer deze functie in als: LENGTE(tekst).
Dit geef je de lengte (het aantal tekens) van een tekst. Veelal zul je deze functie gebruiken om de invulling in een veld te controleren.
Voorbeeld: @2 = “2403 ED”. LENGTE(@2) geeft 7. Let op: spaties tellen mee!
Links
Voer deze functie in als: LINKS(tekst;aantal).
Dit geeft een gedeelte van de tekst, vanaf links tot de lengte van het “aantal” tekens. Veelal gebruik je deze functie bij tekst in een veld om bijvoorbeeld uit mogelijke antwoorden alleen de kern te halen om daarmee te kunnen filteren.
Voorbeeld: @2 = “Nee, maar wel soms.”. LINKS(@2;3) geeft: Nee. Let op: spaties tellen mee!
Rechts
Voer deze functie in als: RECHTS(tekst;aantal).
Dit geeft een gedeelte van de tekst, vanaf rechts tot de lengte van het “aantal” tekens. Veelal gebruik je deze functie bij tekst in een veld om bijvoorbeeld een regeleinde te selecteren (om die weg te kunnen halen).
Voorbeeld: @2 = “Nee, maar wel soms.(return)”. RECHTS(@2;1) duidt alleen de return.
Regel
Voer deze functie in als: REGEL().
Dit geeft een regeleinde in de tekst. Veelal gebruik je deze functie bij tekst in een veld om bijvoorbeeld de tekst in alinea’s te verdelen.
Substitueren
Voer deze functie in als: SUBSTITUEREN(tekst;”zoektekst”;”vervangtekst”;optreden).
Hiermee kun je in een tekst zoeken naar een bepaald stuk tekst (“zoektekst”) en dat vervangen door een ander stuk tekst (“vervangtekst”). Het is niet verplicht, maar je kunt ook nog opgeven, dat alleen de zoveelste keer dat de gezochte tekst voorkomt, deze vervangen moet worden (“optreden”).
Voorbeeld: @2 = “In deze Patiënt Specifieke Klachten vragenlijst worden de waarden uit een eerdere Patiënt Specifieke Klachten vragenlijst overgenomen.” SUBSTITUEREN(@2″Patiënt Specifieke Klachten”;”PSK”) wordt: “In deze PSK vragenlijst worden de waarden uit een eerdere PSK vragenlijst overgenomen.”
Voorbeeld: @2 = “In deze Patiënt Specifieke Klachten vragenlijst worden de waarden uit een eerdere Patiënt Specifieke Klachten vragenlijst overgenomen.” SUBSTITUEREN(@2,”Patiënt Specifieke Klachten”;”PSK”;2) wordt: “In deze Patiënt Specifieke Klachten vragenlijst worden de waarden uit een eerdere PSK vragenlijst overgenomen.”
Tekst
Voer deze functie is als TEKST(getal;”notatie”).
Hiermee zet je getallen om naar tekst. Deze functie is handig wanneer je getallen beter leesbaar wilt weergeven of wanneer je getallen wilt combineren met tekst of symbolen. In de “notatie”-reeks kun je aangeven, hoe je getallen, data of tijdaanduidingen wilt zien.
In de “vertaling” van getallen kun je enkele speciale tekens gebruiken:
. (punt) is de scheiding voor duizendtallen. 12000 met een notatie “#.###” wordt “12.000”.
, (komma) is de scheiding voor decimalen. 12000,50 met een notatie “#.###,#” wordt “12.000,5”.
# staat voor een willekeurig cijfer op een bepaalde positie in het getal. Staat daar een cijfer, wordt het overgenomen. Staat daar geen cijfer, wordt er niets ingevuld. 23,5 met een notatie “#,#” wordt “23,5”. 23 met een notatie “#,#” wordt “23”.
0 staat voor een willekeurig cijfer op een bepaalde positie in het getal. Staat daar een cijfer, wordt het overgenomen. Staat daar geen cijfer, wordt er een 0 ingevuld. 23,5 met een notatie “#,0” wordt “23,5”. 23 met een notatie “#,0” wordt “23,0”.
Je kunt lettertekens opnemen in de notatie-reeks. 23,5 met een notatie “€ #,00” wordt “€ 23,50”.
Je kunt aparte notaties opgeven voor positieve, negatieven en nul-waarden. In dat geval scheidt je deze door puntkomma’s. Voorbeeld: TEKST(@2;”#,0″;”-#,0). Als @2 plus 2 is, zie je “2,0. Als @2 min 2 is, zie je “-2,0”.
In de “vertaling” van data kun je enkele speciale tekens gebruiken:
y is het teken voor een jaar (0-99) binnen de eeuw waarbij nooit een voorloop nul wordt geplaatst. Het jaar 2008 met een notatie “y” wordt “8”.
yy is het teken voor een jaar (0-99) binnen de eeuw waarbij zo nodig een voorloop nul wordt geplaatst. Het jaar 2008 met een notatie “yy” wordt “08”.
yyyy is het teken voor een jaar. Het jaar 2010 met een notatie “yyyy” wordt “2010”.
m is het teken voor maanden (1-12) waarbij nooit een voorloop nul wordt geplaatst. De maand augustus met een notatie “m” wordt “8”.
mm is het teken voor maand en(1-12) waarbij zo nodig een voorloop nul wordt geplaatst. De maand augustus met een notatie “mm” wordt “08”.
mmm is het teken voor een afgekorte maandnaam. De maand augustus met een notatie “mmm” wordt “aug”.
mmmm is het teken voor een hele maandnaam. De maand augustus met een notatie “mmmm” wordt “augustus”.
d is het teken voor dagnummers (1-31) waarbij nooit een voorloop nul wordt geplaatst. De 8-ste dag met een notatie “d” wordt “8”.
dd is het teken voor dagnummers (1-31) waarbij zo nodig een voorloop nul wordt geplaatst. De 8-ste dag met een notatie “dd” wordt “08”.
ddd is het teken voor een afgekorte dagnaam. De zondag met een notatie “ddd” wordt “zo”.
dddd is het teken voor een hele dagnaam. De zondag met een notatie “dddd” wordt “zondag”.
Je kunt deze notaties combineren. Als je bijvoorbeeld TEKST(@2;”dd/mm/yyyy”) gebruikt, wordt dit als tekst bijvoorbeeld: “26-03-2017”. Let op: zet een slash (/) tussen de dagen, maanden, jaren.
Tekst samenvoegen
Voer deze functie in als: TEKST_SAMENVOEGEN(tekst1;tekst2;tekst3;…).
Hiermee voeg je verschillende stukken tekst samen tot één nieuwe tekst. Je gebruikt deze functie om bijvoorbeeld uit antwoorden bij diverse vragen één onderzoeksresultaat samen te stellen.
Voorbeeld: @2 = “Reumatische aandoening;”. @5 = “Artrose linker schouder;”. @6 = “VAS pijn: 80”. TEKST_SAMENVOEGEN(@2;@5;@6) geeft dan: “Reumatische aandoening;Artrose linker schouder;VAS pijn: 80”.
Vervangen
Voer deze functie in als: VERVANGEN(tekst;begin;aantal;nieuwe tekst).
Hiermee vervang je in een tekst vanaf een bepaalde positie een aantal tekens door een nieuwe tekst. Je gebruikt deze functie om bijvoorbeeld een begrip af te korten.
Voorbeeld: @2 = “Visual Analog Scale uitgevoerd”. VERVANGEN(@2;2;18;”AS” geeft: “VAS uitgevoerd”.
Vind
Voer deze functie in als: VIND(zoektekst;tekst;positie).
Hiermee zoek je naar een stuk tekst (“zoektekst”) in een grotere tekst (“tekst”) zo nodig vanaf een bepaalde positie in die grotere tekst. Het resultaat is 1 (= waar) of 0 (= niet waar). Je gebruikt deze functie om bijvoorbeeld in een antwoord bij een vraag naar een kernbegrip te zoeken.
Voorbeeld: @2 = “Meerdere somatische aandoeningen aangegeven voortkomend uit depressie.”. VIND(@2;”depressie”) geeft 1.
Waarde
Voer deze functie in als: WAARDE(tekst).
Hiermee vervang je een tekst door een getal; een waarde. Je gebruikt deze functie bijvoorbeeld om als tekst ingevoerde waarden naar getallen om te zetten om daarmee te rekenen.
Voorbeeld: @2 = “12,34”. WAARDE(@2) geeft het getal 12,34.
Voorbeelden van functies die met data werken:
Er zijn een aantal functies, die specifiek met het gebruiken en verwerken van ingevoerde data te maken hebben. Je voert in een functie de datum is als echte datum, maar je kunt ook een veld aangeven waar een datum staat of berekend wordt.
Dag
Voer deze functie in als: DAG(datum).
Hiermee krijg je het dagnummer (1 – 31) van een datum. Je gebruikt deze functie bijvoorbeeld om berekeningen met dagen uit te kunnen voeren.
Voorbeeld: @2 = “13-01-2014”. DAG(@2) geeft: 13.
Dagen
Voer deze functie in als: DAGEN(datum1;datum2).
Hiermee bereken je het verschil in dagen tussen 2 data. Je gebruikt deze functie bijvoorbeeld om de tijd tussen behandelingen te berekenen of de tussentijd tussen testen te controleren.
Voorbeeld: @2 = “13-01-2014”. @3 = “24-2-2014”. DAGEN(@2;@3) geeft: 42.
Dagen in jaar
Voer deze functie in als: DAGENINJAAR(datum).
Hiermee krijg je het aantal dagen in het jaar waarin een bepaalde datum valt. Ook deze functie kun je gebruiken om berekeningen met dagen uit te voeren. Bijvoorbeeld om te berekenen, hoeveel procent van een jaar een patiënt een dieet gevolgd heeft, waarbij je bij 1 dieetdag het totaal aantal dagen van het jaar vaststelt. Dat aantal kan immers verschillen door schrikkeljaren.
Voorbeeld: @2 = “13-01-2014”. DAGENINJAAR(@2) geeft: 365.
Dagen in maand
Voer deze functie in als: DAGENINMAAND(datum).
Hiermee krijg je het aantal dagen in de maand waarin een bepaalde datum valt. Ook deze functie kun je gebruiken om berekeningen met dagen uit te voeren. Bijvoorbeeld om te berekenen, hoeveel procent van een maand een patiënt een dieet gevolgd heeft, waarbij je bij 1 dieetdag het totaal aantal dagen van de maand vaststelt. Dat aantal kan verschillen: 28, 29, 30 en 31.
Voorbeeld: @2 = “13-01-2014”. DAGENINMAAND(@2) geeft: 31.
Datum
Voer deze functie in als: DATUM(jaar;maand;dag).
Hiermee krijg je een waarde van een datum. Je gebruikt deze functie bijvoorbeeld om als het jaar, de maand en de dag apart zijn opgegeven in velden, toch te kunnen rekenen met 1 getal.
Voorbeeld: DATUM(2014;01,13) geeft: 41652.
Is schrikkeljaar
Voer deze functie in als: ISSCHRIKKELJAAR(datum).
Hiermee bepaal je, of het jaar waarin een bepaalde datum valt een schrikkeljaar is. Het resultaat is 1 (= waar) of 0 (= niet waar). Ook deze functie kun je gebruiken om berekeningen met dagen uit te voeren.
Voorbeeld: @2 = “13-01-2014”. ISSCHRIKKELJAAR(@2) geeft: 0.
Jaar
Voer deze functie in als: JAAR(datum).
Hiermee krijg je het jaar waarin een datum valt. Je gebruikt deze functie bijvoorbeeld vergelijkingen of berekeningen over jaren uit te kunnen voeren. Hiermee kun je ook van een datumwaarde (zie de functie DATUM) het kalenderjaar bepalen.
Voorbeeld: @2 = “13-01-2014”. JAAR(@2) geeft: 2014. Ook JAAR(41652) geeft: 2014.
Jaren
Voer deze functie in als: JAREN(datum1;datum2;type).
Hiermee bereken je het verschil in jaren tussen 2 data. Je gebruikt deze functie bijvoorbeeld om de tijd tussen behandelingen te berekenen of de tussentijd tussen testen te controleren. Bij “type” kun je een 0 opgeven als je wilt, dat er gerekend wordt van startdatum de dag en de maand tot en met de einddatum, dag en maand. Geef je bij “type” een 1 in, dan wordt het verschil berekend tussen het jaar waarin datum1 valt en het jaar waarin datum 2 valt; dus het jaar van de einddatum – het jaar van de startdatum.
Voorbeeld: @2 = “01-01-2013”. @3 = “01-01-2014”. JAREN(@3;@2;0) geeft: 1. Let op: einddatum als eerste in formule opnemen!
Voorbeeld: @2 = “31-12-2013”. @3 = “01-01-2014”. JAREN(@3;@2;1) geeft: 1. De data verschillen eigenlijk maar 1 dag, maar door type 1 wordt er gerekend met 2014 – 2013 = 1. Let op: einddatum als eerste in formule opnemen!
Maand
Voer deze functie in als: MAAND(datum).
Hiermee krijg je het maandnummer (1-12) waarin een datum valt. Je gebruikt deze functie bijvoorbeeld vergelijkingen of berekeningen over maanden uit te kunnen voeren. Hiermee kun je ook van een datumwaarde (zie de functie DATUM) de kalendermaand bepalen.
Voorbeeld: @2 = “13-01-2014”. MAAND(@2) geeft: 1. Ook JAAR(41652) geeft: 1.
Maanden
Voer deze functie in als: MAANDEN(datum1;datum2;type).
Hiermee bereken je het verschil in maanden tussen 2 data. Je gebruikt deze functie bijvoorbeeld om de tijd tussen behandelingen te berekenen of de tussentijd tussen testen te controleren. Bij “type” kun je een 0 opgeven als je wilt, dat er gerekend wordt van de startdatum, dag en maand tot en met de einddatum, dag en maand. Geef je bij “type” een 1 in, dan wordt het verschil berekend tussen de maand waarin datum1 valt en de maand waarin datum 2 valt; dus de maand van de einddatum – de maand van de startdatum.
Voorbeeld: @2 = “01-01-2013”. @3 = “01-01-2014”. MAANDEN(@3;@2;0) geeft: 12. Let op: einddatum als eerste in formule opnemen!
Voorbeeld: @2 = “31-12-2013”. @3 = “01-01-2014”. JAREN(@3;@2;1) geeft: 1. De data verschillen eigenlijk maar 1 dag, maar door type 1 wordt er gerekend met januari 2014 – december 2013 = 1. Let op: einddatum als eerste in formule opnemen!
Rest
De expressie REST(getal;deler) is toegevoegd. Hiermee kun je bijvoorbeeld het aantal dagen delen door 7 om de resterende dagen bij omrekening naar weken te berekenen.
REST werkt met vaste waarden zoals REST(100;7) of met waarden uit velden zoals REST(@1;7).
Vandaag
Voer deze functie in als: VANDAAG().
In berekeningen van bijvoorbeeld de stand van zaken rond evaluatiemomenten wil je die op dit moment weten. Daarbij kun je werken met de huidige datum. Deze functie genereert die datum voor je; je hoeft deze dan niet steeds opnieuw in te voeren.
Voorbeeld: op 22-10-2014 geeft VANDAAG(): “22-10-2014” maar ook de waarde 41934 afhankelijk van de rest van de formule die je gebruikt.
Zelfde dag
Voer deze functie in als: ZELFDE_DAG(datum;aantal).
Deze functie geef je de ingevoerde datum, maar dan een bepaald aantal maanden verder in de toekomst. Je gebruikt deze functie bijvoorbeeld om een test-interval te berekenen.
Voorbeeld: @2 = “13-01-2014”. ZELFDE_DAG(@2;10) geeft: “”13-11-2014” maar ook de waarde 41956 afhankelijk van de rest van de formule die je gebruikt.